De juiste woorden voor jouw verhaal


Als zoon van een vuurtorenwachter, groeide Jaap Pronk (64) op met de zee. De verhalen van varende familieleden hadden hem al snel in zijn greep, en hij wilde niets liever dan het water op. Als visser en als redder. Daar ontdekte hij echter dat het er anders aan toe ging dan hij dacht. 

Als ik terugkijk bestond er niks anders dan water. Ik woonde aan het strand, dus de zee was altijd dichtbij, en hij trok al jong.

Als ik als kind in de vuurtoren mijn huiswerk zat te maken, vertelde mijn vader over zijn tochten bij de visserij en de reddingsmaatschappij. Eerst op de strandboot en later op de grote boot. Dat vond ik enorm spannend. Ook de verhalen van vissende familieleden en kennissen hadden me in hun greep.

Het ene verhaal was nog mooier dan het andere. Vooral de saamhorigheid sprak me erin aan.

Dat wil ik ook, dacht ik.

Alleen de goede dingen waren verteld, de armoede was achterwege gelaten

Mijn moeder wilde niet dat al haar zoons gingen varen, maar ik wilde niks anders. Totdat ik oud genoeg was om de zee op te gaan, verslond ik alle boeken van Kees de matroos. Toen ik op mijn 14e eindelijk mocht varen, kwam ik er al gauw achter dat het er toch anders aan toeging dan in de verhalen. Alleen de goede dingen waren verteld, de armoede was achterwege gelaten.

Zo voeren we met 14 man op een trawler. Op nog geen 40 meter was je 4 weken lang aan het vissen en aan het verwerken. Douchen mocht je niet voor het water, en de oudste matroos moest koken. Je hoopte dan ook maar dat hij dat een beetje kon. Toch was het altijd een enorme prestatie als we weer met zijn allen thuiskwamen.

Verdomme, waarom zitten jullie hier eigenlijk?

De laatste 25 jaar zit ik bij de KNRM, en dat is niet te vergelijken met de visserij. Bij de reddingsmaatschappij word je geroepen als er iemand hulp nodig heeft. Je hebt simpele dingen als een surfer die is afgedreven op een plankje, maar ook vervelende meldingen waarbij een scheepje zinkt. Vaak in heftig weer.

Dan krijg je wel een soort ‘verdomme moet dat nou, waarom zitten jullie hier eigenlijk?’

Dat is die haat-liefde verhouding met de zee. Soms kom je zelf ook in een situatie dat je denkt, ja en wij, hoe komen wij nou terug?

Als je eruit moet en ze geven windkracht 11 a 12 op, dan ben je toch gespannen. Je let meer op. Ook aan boord. Je loopt alles niet 1x, maar 2x of 3x na. Je bent chagrijnig, want je wilt gewoon dat het niet voor 100 procent maar voor 110 procent in orde is.

Niemand helpt de reddingsboot als het mis gaat

Want het vervelende is, als er op die reddingsboot iets gebeurt, is er niemand die de reddingsboot komt helpen. Maar je zit wel met je bemanning, die veilig naar huis moet. Dat geeft een bepaalde druk.

En toch ga je altijd die zee weer op, elke keer weer.

Na 3 dagen is de emotie er meestal vanaf en dan krijg je een heel ander verhaal. Dan denk je: we hebben het toch weer gefixt.

Ik vaar nu al 51 jaar. Volgend jaar hoop ik 65 te worden, en dan stop ik. Dan is het mooi geweest. Maar die liefde voor de zee blijft. Ik ben dan ook nooit ver van de zee, zelfs op vakantie niet. En als ik terugkom, moet ik altijd meteen langs de boulevard. Ook al is het avond en zie je niks.

Mensen vragen me wel eens of ik dezelfde keuzes zou maken als ik het over mocht doen. En dan zeg ik ja.

Van die keuzes heb ik geen moment spijt.’